Duivelshoekreeks
Franciscus Lievens Kersteman, Zeldzaame levens-gevallen van J.C. Wyerman (1756).
Jacob Campo Weyerman, Opkomst en val van een koffiehuisnichtje (1727)
Pieter van Woensel, Staat der geleerdheid in Turkijen (1791).
Ludvig Holberg, De onderaardse Reis van Claas Klim (1741).
Hendrik Doedijns, De Haegse Mercurius (9 aug. 1697 - 1 feb. 1698).
Jacob Campo Weyerman, Den Amsterdamschen Hermes I (1722) no. 1-8. Voorafgegaan door Het papiere voorhangsel.
Geconfineert voor altoos. Het proces-Weyerman.
Justus van Effen, De Hollandsche Spectator 31-60 (8 februari 1732 - 23 mei 1732).
Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, aflevering 61-105 (26 mei 1732 - 27 oktober 1732).
Justus van Effen, De Hollandsche Spectator 106-150 (31 oktober 1732 - 3 april 1733).
Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, aflevering 151-195 (7 april 1733 - 7 september 1733).
D’openhertige juffrouw, of d’ontdekte geveinsdheid.
Elisabeth Wolff, De Onveranderlyke Santhorstsche Geloofsbelydenis. In rym gebragt door eene zuster der Santhorstsche gemeente. Ter Drukkerye van haare Koninglyke Majesteit Reden (1772).
Nil Volentibus Arduum, Tieranny van Eigenbaat (1679). Toneel als wapen tegen Oranje.
De Leidsche Straat-schender (ca. 1679). Editie Rietje van Vliet.
Franciscus Lievens Kersteman, Zeldzaame levens-gevallen van J.C. Wyerman (1756).
Editie Rietje van Vliet
Duivelshoekreeks 1
ISBN 90-75179-02-2
Prijs: € 17,95 - helaas uitverkocht
De een z’n dood is de ander z’n brood. Broodschrijver Franciscus Lievens Kersteman (1728-±1792) maakte goede sier met collega-broodschrijver Jacob Campo Weyerman (1677-1747) door diens sensationele biografie te schrijven: De zeldzaame levens-gevallen van J.C. Wyerman (1756). Een biografie die een ongekend succes kende. Menigeen was indertijd geïnteresseerd in de beroemde, ingenieuze oplichter en zijn stompzinnige slachtoffers. Dankzij de heruitgave van Kerstemans biografie zijn de lotgevallen deze virtuoos achttiende-eeuws schrijver ook voor de twintigste lezer toegankelijk.
De tekst van De zeldzaame levens-gevallen van J.C. Wyerman is integraal afgedrukt, inclusief het Aanhangsel dat pas in 1763 verscheen. In de inleiding worden de levensgeschiedenissen van beide broodschrijvers belicht. Die blijken een aantal parallellen te vertonen: een schrijverscarrière met een indrukwekkende staat van dienst, geen duidelijk ‘echt’ beroep, een avontuurlijk en vooral reizend bestaan, zwendelpraktijken, een leven eindigend in ziekte en armoe. Maar kunnen beide broodschrijvers wel op één hoop worden geveegd?
Om hierop antwoord te geven wordt het begrip ‘broodschrijver’ in een duidelijker kader geplaatst. Er zijn broodschrijvers geweest die in hun werken een virtuositeit en literaire begaafdheid toonden, waardoor zij zich konden veroorloven voor een select gezelschap te schrijven. Zo iemand was Weyerman. Er waren echter ook broodschrijvers die zonder enige visie, zonder enig talent over alles en iedereen schreven, als het maar geld opbracht. Kersteman wordt tot deze categorie gerekend.
Jacob Campo Weyerman, Opkomst en val van een koffiehuisnichtje (1727)
Editie André Hanou
Duivelshoekreeks 2 (4e druk)
ISBN 90-75179-21-9
Prijs: € 15,65
Jacob Campo Weyerman (1677-1747) is in ons taalgebied een van de vroegste chroniqueurs van het dagelijks leven. Hij doet dat in een onnavolgbare stijl.
In 1727 beschrijft hij in een aantal opeenvolgende nummers van zijn tijdschrift de Echo des Weerelds de op- en ondergang van een Noordhollands plattelandsmeisje. Door haar familie naar de grote stad gestuurd, krijgt zij een baan in een koffiehuis: in die dagen de verzamelplaats van de incrowd. Tal van mannen dingen om de gunsten van de nieuwe frisse bloem. Uiteindelijk valt zij voor een militair. Zij neemt met hem de benen, maar vergooit daardoor haar kans op elk huwelijk.
Wanneer de liefde bekoeld is, blijkt zij zwanger en zonder inkomsten. Zij zoekt haar toevlucht bij een hoerenwaardin, die ervoor zorgt dat zij binnen korte tijd de bekendste callgirl van Amsterdam wordt. Haar faam duurt slechts kort. Het leven als prostituée sloopt haar. De goot wenkt...
Een verhaal over naïviteit en hartstocht, en over de zelfkant van de beschaving, in het tijdperk van de Verlichting.
Pieter van Woensel, Staat der geleerdheid in Turkijen (1791) .
Editie Meike Broecheler
Duivelshoekreeks 3
ISBN 90-75179-03-0
Prijs: € 13,60
In 1791 publiceert de merkwaardige solitair Pieter van Woensel (1747-1808; patriot, reiziger, marine-arts, spion, Verlichtingsschrijver) zijn Aanteekeningen: een verslag van zijn reizen voornamelijk door Turkije en Rusland. De schrijver had kort een officiële medische functie in Istanboel/Constantinopel.
‘t Ging de verlichte kosmopoliet Van Woensel niet om sightseeing. Hij observeert culturen, op nogal moderne wijze. Hij analyseert. In deze editie een fragment uit die Aanteekeningen, te weten: de Staat der geleerdheid in Turkijen. Hierin combineert Van Woensel een beschrijving van de Turkse beschaving (stand van de wetenschap; geletterdheid en literatuur; cultuur en gewoonten) met kritiek op de situatie in Nederland.
In zijn beschrijving en in zijn overdenkingen toont Van Woensel een scherp zicht te hebben op de verschillen tussen de Westerse (Hollandse) en Oosterse samenlevingen. En de vergelijking valt op een groot aantal punten beslist niet in het nadeel van Turkije uit. Van Woensel is nogal lovend over de openbare bibliotheken, het onderwijs, de tolerantie (‘wat heb je aan die ruzies tussen christenen onderling’), de vlotte rechtspraak. Hoewel... er is geen moderne wetenschap; en de Turken zijn “misschien de meest indolente menschen van de waereld”! De islam wordt zeer zakelijk beoordeeld.
De tekst is gelardeerd met het soort laconieke gezond verstand-opmerkingen, waarin Van Woensel altijd excelleert. Men vindt enige illustraties van de hand van Van Woensel.
Ludvig Holberg, De onderaardse Reis van Claas Klim (1741) .
Editie André Hanou
Duivelshoekreeks 4
ISBN 90-75179-04-9
Prijs: € 18,15 - helaas uitverkocht
Een land van sprekende muziekinstrumenten; een land waar men uitsluitend door zijn achterste praat; een land waar dieren, bomen en vogels naast en door elkaar leven en ieder wezen de taak doet die het best past bij zijn achtergrond; een land waar vrouwen regeren; een land waar... de reeks lijkt eindeloos. Waar zijn die landen te vinden?
In 1665 valt de net afgestudeerde Claas Klim in een Noorse bergspelonk. Hij valt en valt... en ontdekt in het binnenste der aarde een nieuwe zon, en een nieuwe planeet bewoond door volmaakt onbekende volkeren. Bijvoorbeeld Potu, land van bomen met menselijke vermogens, waar alles er ‘grondig’ aan toegaat - het is misschien Utopia. Er is Martinia, land van apen met pruiken - het is Europa (of Frankrijk?). Claas Klim vindt er nog tientallen landen, samenlevingen méér. Aan het firmament, ofwel de binnenschors van de aarde, opnieuw: de vreemdste maatschappijen.
Claas Klim is gedwongen zijn modern-Europese ideeën stuk voor stuk prijs te geven. Tenslotte wordt hij door list en geweld keizer van een wereldrijk. Tot hij (weer) valt...
De onderaardse Reis van Claas Klim: een ‘science-fiction’ tekst uit de tijd van de Verlichting, door de Noorse Deen Ludvig Holberg in 1741 gepubliceerd. Deze satirische imaginaire reis, in heel Europa populair, dwong net als Swifts Gulliver de tijdgenoot na te denken over de principes van de samenleving - en ons ook nog, misschien.
U vindt de tekst volgens de Nederlandse vertaling, eveneens uit 1741. Deze verscheen, nog vóór Franse, Engelse, Italiaanse, Zweedse, Russische enz. vertalingen Claas Klim tot een algemeen Europees bezit maakten.
Hendrik Doedijns, De Haegse Mercurius (9 aug. 1697 – 1 feb. 1698).
Editie Rietje van Vliet
Duivelshoekreeks 5
ISBN 90-75179-06-5
Prijs: € 18,15
Het eerste ‘echte’ tijdschrift in het Nederlandse taalgebied verschijnt in 1697, in Den Haag (jazeker, in Den Haag). Deze Haegse Mercurius is dan ook meteen een heel bijzonder tijdschrift. De schrijver, advocaat Hendrik Doedijns (1659-1700) trekt vanaf het eerste nummer alle registers open. Hij schrijft in een satirische, intelligente, metaforische, burleske en vaak scabreuze stijl. Over politiek en religie mag hij niet schrijven; maar hij weet zijn lezers desondanks heel goed te informeren over hoe hun wereld eruit ziet, van kroeg tot hof. Hij weet alles van de venerische pleziertjes van de Nederlanders, de studie-ijver der studenten, de Bacchusdienst der diplomaten en intellectuelen. Maar hij geeft ook inzicht over hoe het er in Europa aan toegaat: welke vorsten welke maîtresses genomen hebben, hoe dat de politiek van de landen beïnvloedt, hoe de oorlogen overal ter wereld (waarbij de Republiek bijna altijd betrokken is) verlopen.
Het verbaast niet dat de schrijver van de Haegse Mercurius een bewonderaar van Rabelais is. Maar we vinden, tussen zijn mededelingen over het nieuws van de dag door, ook wereldbeschouwelijke opmerkingen (bijvoorbeeld over de filosofie van Descartes), met gevolg dat zijn tegenstanders hem bij tijd en wijle, niet ten onrechte, van spinozisme en epicurisme beschuldigen.
Het blad Haegse Mercurius was in zijn tijd populair. Het werd zelfs herdrukt; en de schrijver bleef lang bewonderd (Weyerman) of verguisd (Van Effen). Doedijns was - en is - hoe dan ook niet alleen een voorloper maar ook een grondlegger van de moderne journalistiek en columnistiek. In dit nieuwe medium, waarin de wereld voor breed publiek op een nieuwe manier aan de orde gesteld wordt, ziet men de overgang van Renaissance naar Verlichting. In deze editie treft u een herdruk van de eerste 52 nummers uit 1697-1698.
Jacob Campo Weyerman, Den Amsterdamschen Hermes I (1722) no. 1-8. Voorafgegaan door Het papiere voorhangsel.
Editie Riet Hoogma en Mandy Ruthenkolk
Duivelshoekreeks 6
ISBN 90-75179-08-1
Prijs: € 18,15
Lezers? Die zijn veeleisender dan minnaars! De zorg die een schrijver heeft om zijn lezers tevreden te stellen is veel groter dan de problemen die een vrouw heeft met een leger minnaars.
Met deze stelling opent Jacob Campo Weyerman (1677-1747) op 30 september 1721 zijn Amsterdamschen Hermes, een van de vroegste Nederlandse weekbladen. In dit satirische tijdschrift poogt Weyerman week na week de niet aflatende nieuwsgierigheid van zijn tijdgenoten-lezers te bevredigen.
Hij slaagde daarin wonderwel. Deze auteur uit de vroege Verlichting had een trouwe lezerskring, waarschijnlijk voor een groot deel bestaand uit leden van de intelligentsia die gewoon waren in koffiehuizen en bodega’s het nieuws, en de nieuwtjes op cultureel en literair gebied door te nemen. En de belangrijkste vraag was misschien wel: wat zijn de schandaaltjes van de dag? Op al deze gebieden konden zij bij Weyerman stof te over vinden.
De lezers wisten Weyermans flonkerende stijl en beelden, zijn satirische behandeling van het contemporaine leven op waarde te schatten. Met één uitzondering misschien: Hermanus van den Burg, schrijver van het concurrerende tijdschrift de Amsterdamsche Argus. Op diens nieuwsbehandeling richt Weyerman in de eerste nummers nogal eens zijn pijlen... Amsterdam, Nederland leest mee en geniet van de ruzie tussen de twee journalisten.
Ook nu nog is het mogelijk te genieten van het creatieve taalgebruik van een schrijver die in belangrijke mate debet is aan het ontstaan van het moderne Nederlands.
Den Amsterdamschen Hermes verscheen in wekelijkse afleveringen van acht pagina’s van september 1721 tot september 1723. De eerste acht afleveringen vindt u in deze editie, voorzien van commentaar, met inleiding en index. Ook het Papiere voorhangsel is afgedrukt: Weyermans voorrede bij de gebundelde eerste jaargang van het blad, en zijn eerste voorrede als weekbladauteur.
Geconfineert voor altoos. Het proces-Weyerman.
Editie Karel Bostoen en André Hanou
Duivelshoekreeks 7
ISBN 90-75179-11-1
Prijs: € 15,85 – helaas uitverkocht
In 1739 wordt de op dat moment ‘t meest beruchte schrijver en journalist van Nederland, Jacob Campo Weyerman (1677-1747), tot levenslang veroordeeld. Hij was 61 jaar oud. Hij zal tot zijn dood op zijn 70ste jaar verblijven in de Haagse Gevangenpoort. Schrijven doet lijden.
Levenslang voor schrijvers is nogal iets bijzonders. De reden was nu eens niet de religieuze overtuiging van de auteur: Campo had weinig overtuigingen. Maar Campo had te lang, tientallen jaren, Nederland de waarheid gezegd; en bovendien in recenter tijd de onaangename gewoonte aangenomen, particulieren te dreigen met publicatie van smakelijke details uit hun leven. Men diende dat te voorkomen door een genereuze financiële bijdrage aan het fonds-Weyerman. Daarnaast waren de rechters niet enthousiast over Weyermans partijkiezen in een machtsstrijd in de top van de VOC. Ook hier speelden morele factoren een rol.
De autoriteiten, die in de jaren dertig van de achttiende eeuw probeerden het vermeende verval van de Nederlandse zeden te keren, achtten Weyerman een uitstekend voorbeeld om den volke te demonstreren dat ondeugd niet loont. Weyermans beroep op de vrijheid van drukpers wordt niet gehonoreerd.
In deze uitgave vindt men de letterlijke tekst van de stukken behorend bij dit geruchtmakende proces. Tevens Weyermans autobiografie, waarin een aantal sterke verhalen uit zijn leven als schilder.
Een boek, van belang voor literatuur, geschiedenis en rechtsgeschiedenis.
Justus van Effen, De Hollandsche Spectator 31-60 (8 februari 1732 - 23 mei 1732).
Editie Elly Groenenboom-Draai
Duivelshoekreeks 8
ISBN 90-75179-14-6
Prijs: € 20,85
De Hollandsche Spectator (1731-1735), geschreven door Justus van Effen, behoort tot de belangrijkste werken uit de Nederlandse literatuur. Het beïnvloedde diepgaand de mentaliteit, de moraliteit en de denkbeelden van de Nederlanders in de Verlichtingsperiode, en ook nog van later. Dit blad genoot een immense populariteit reeds tijdens zijn verschijnen, en werd het voorbeeld voor talloze andere spectatoriale bladen.
Daarnaast is de heldere taal van de veelgelezen Spectator een belangrijke factor geweest bij het ontstaan van het huidige Nederlands.
De Hollandsche Spectator verscheen in 360 afleveringen. Het lijkt haast onmogelijk een heruitgave van de gehele tekst te produceren (vandaag de dag kan dan ook slechts een segment-editie, of een bloemlezing met een drietal bekende afleveringen, zoals ‘Kobus en Agnietje’, geraadpleegd worden). Uitgeverij Astraea doet desondanks een poging dit standaardwerk van de Nederlandse cultuur weer in zijn geheel aan de Nederlandse lezer ter beschikking te stellen.
Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, aflevering 61-105 (26 mei 1732 - 27 oktober 1732) .
Editie W.R.D. van Oostrum
Duivelshoekreeks 12
ISBN 90-75179-18-9
Prijs: € 21,75
In aflevering 61 tot en met 105 van De Hollandsche Spectator van Justus van Effen komt duidelijk naar voren dat er verschillende normen voor vrouwen en mannen worden gehanteerd.
Een man verbaast zich erover dat zijn vriend, getrouwd met een beeldschone vrouw die hij zeer bemint, regelmatig prostituées in zijn slaapkamer laat bezorgen en wil een verklaring. De vriend vraagt hem wat hij het liefste eet; een palingpasteitje is het antwoord. Vervolgens laat de vriend hem een week lang ‘s middags en ‘s avonds dit gerecht bezorgen en de gulzigheid van de man verandert “in een onwederstaanbare walglykheid”; hij zou zijn pastei graag ruilen voor “een korst droog brood”. Zo vergaat het mij ook, zegt de vriend; mijn vrouw is de palingpastei, de prostituées een korst droog brood.
Deze vergelijking gaat niet helemaal op voor het huwelijk, zegt Heer Spectator. De ware liefde is meer dan toegeven aan de behoefte zich te diverteren. Het is natuurlijk en zelfs goed dat de huwelijksliefde van de man bekoelt: dan kan hij zich concentreren op zijn nutte dagelijkse bezigheden. Thuisgekomen, moet zijn gade hem opvrolijken en zijn lust gaande maken door een “geduurige verwisseling van beminnelykheid”, eigen aan “de sex van haar ziel”, alhoewel sommigen haar deze wispelturigheid verwijten omdat mannen deze niet bezitten.
Voorwaarde voor succes is dat de man zeker is van haar liefde voor hem. Daarom moet zij hem laten merken dat zij gesteld is op zijn liefkozingen en ernaar verlangt. Een vrouw die “deftigheid en ernst” uitstraalt, is immers “onbekwaam om een speeltuig van onze natuurlyke geneigtheid te zyn; haar al te manlyke verdienste heeft geen vat op onze tederheid”. Het is de taak van de vrouw het huwelijk spannend te houden, haar plicht zich op de bevrediging van haar echtgenoot te richten en hem door een wijs gebruik van haar wispelturigheid het gevoel te geven niet met één maar met drie à vier vrouwen getrouwd te zijn. Verandering van spijs doet immers eten. Maar wel dringt Heer Spectator erop aan dat vrouwen zich toeschietelijk tonen voor ‘s mans liefkozingen, maar daarbij wel de zedigheid in acht nemen.
Ook dit deel van De Hollandsche Spectator is voorzien van een inleiding, een korte inhoudsbeschrijving per aflevering en een index. Waar nodig worden woorden uit Van Effens tekst voorzien van woordcommentaar.
Justus van Effen, De Hollandsche Spectator 106-150 (31 oktober 1732 - 3 april 1733).
Editie Susanne Gabriëls
Duivelshoekreeks 9
ISBN 90-75179-15-4
Prijs: € 20,85
Wanneer op 31 oktober 1732 aflevering 106 van het tijdschrift verschijnt, kan er van een wankele onderneming moeilijk meer gesproken worden. Het succes van De Hollandsche Spectator is manifest: op een markt waar de meeste periodieken slechts een bestaan van enkele nummers gegund is, is een tijdschrift dat het meer dan een jaar uithoudt en al over de honderd afleveringen telt alleen daarom al uniek. Voor dit succesvolle tijdschrift was het niet meer nodig om de eigen plaats in de spectatoriale traditie te bevechten. Dat was al gebeurd en herhaling zou gemakkelijk verveling of argwaan wekken.
Wat nog lang niet duidelijk was, was de plaats van het spectatoriale tijdschrift binnen de literatuur als geheel. Schrijvers van tijdschriften stonden in de kwade reuk van het broodschrijven: zij schreven niet voor de eeuwigheid, maar voor de actualiteit, en dan ook nog voor geld. Losse afleveringen werden door overheidsdienaren, serieuze geleerden en geletterden aangezien voor schotschriften, pamfletjes waarin eerzame burgers op schandalige wijze in het openbaar te kijk gezet werden. Het relatief nieuwe verschijnsel van het tijdschrift liet zich niet indelen bij een vertrouwd genre. Daarmee leek het veroordeeld tot een plaats buiten de literaire hiërarchie.
Vanzelfsprekend nam Van Effen met een zo ongunstige reputatie van het tijdschrift in het algemeen voor zijn Hollandsche Spectator in het bijzonder geen genoegen. In aflevering 55 bijvoorbeeld verweerde ‘Heer Spectator’ zich tegen aanvallen als zouden in zijn periodiek goede bekenden hatelijk geportretteerd zijn. Ook op andere manieren probeerde het tijdschrift zich letterkundig en moreel te legitimeren.
In dit deel van de reeks Hollandsche Spectator treft u onder andere de bekende verhalen aan van ‘Kobus en Agnietje’ en ‘Thijsbuurs Os’.
Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, aflevering 151-195 (7 april 1733 - 7 september 1733) .
Editie M. de Niet
Duivelshoekreeks 13
ISBN 90-75179-19-7
Prijs: € 21,75
In dit deel van de heruitgave van De Hollandsche Spectator komen twee liefdesgeschiedenissen voor: die van Nabal en Heilke, en Kobus en Agnietje. Het laatste liefdesverhaal is door de vele aparte uitgaven die ervan zijn gemaakt, als een zelfstandige romance de geschiedenis in gegaan.
Het stond al vanaf het begin vast: niet Nabal en Heilke maar Kobus en Agnietje zouden tot in den eeuwigheid kusjes kunnen blijven uitwisselen. Het huwelijk tussen de onbeschofte Nabal en de dienstmeid Heilke sprak heel wat minder tot de verbeelding van de lezers van het achttiende-eeuwse tijdschrift De Hollandsche Spectator dan het ‘tafereeltje van oud-Hollandse vrijage’ rond de hupse Jacob en het zoetje Agnietje. Over het succes van het verhaal van Kobus en Agnietje schrijft Justus van Effen, hun bedenker, een half jaar na de publicatie ervan: “Tot nog toe weet ik niet, dat iets in myne Vertogen met zo een algemene goedkeuring is geleezen geworden als de gemeene Mans vryagie van Kobus en Agnietje”.
En die goedkeuring is gebleven. In de vele bloemlezingen uit De Hollandsche Spectator die na de oorspronkelijke uitgave van 1731-1735 zijn verschenen, zijn Kobus en Agnietje vast van de partij. De tekst is zelfs enkele malen afzonderlijk uitgegeven. Tot op de dag van vandaag behoort dit verliefde stel, met Jantje, Saartje, en Julia en Eduard, tot het handjevol fictieve achttiende-eeuwers waar schoolgaande Nederlanders zich nog aan spiegelen. Van Nabal Geldlof, Heilke Mems en hun tot mislukken gedoemde huwelijk hebben we ons reeds lang collectief afgewend.
Toch zou het niet naar de zin van Van Effen zijn geweest dat het verhaal over Kobus en Agnietje zo’n eigen leven zou gaan leiden. De Hollandsche Spectator was niet geschreven als een willekeurige verzameling losse verhalen. Het was een tijdschrift dat tot stand kwam door een continue dialoog tussen schrijver, correspondenten en lezers. De interpretatie van een aflevering kan niet losgekoppeld worden van de rest van het werk. Ook de vele onderlinge verwijzingen in de afleveringen geven blijk van die samenhang en tevens van de dynamiek die het werk gehad moet hebben op het moment van verschijnen (aanvankelijk eenmaal per week, na een half jaar twee maal per week). Aan de hand van eigen observaties, of naar aanleiding van lezersreacties kwamen nieuwe (of reeds eerder behandelde) onderwerpen aan bod.
Een techniek die Van Effen veelvuldig toepaste om de onderlinge band tussen de afleveringen te verstevigen was het beschrijven van eenzelfde maatschappelijk verschijnsel vanuit verschillende perspectieven. In de ene aflevering beschreef hij hoe het niet hoort, in een andere hoe het wel hoort. De verhalen over Kobus en Agnietje, en Nabal en Heilke vormen zo’n paar. Er zijn veel vormelijke en inhoudelijke parallellen die we kunnen trekken. Beide verhalen bestaan uit korte feuilletons van ieder drie afleveringen, die door elkaar heen binnen een periode van vier maanden (maart 1733-juli 1733) verschenen; ze spelen zich beide af te Amsterdam in kleinburgerlijke milieus; ze behandelen de aanloop tot een huwelijk, met die kanttekening dat Kobus en Agnietje de steun ontvangen van een ieder die erbij betrokken is, terwijl Nabal en Heilke iedereen tegen zich in het harnas jagen. Nog een parallel is dat beide verhalen zijn opgetekend door buitenstaanders, correspondenten van de Heer Spectator, die ook figureren in het verhaal. Tot slot worden de teksten verlevendigd door de letterlijke weergave van het plat praten van enkele personages, zoals de ouders van Kobus en het dienstpersoneel.
De persoon die de burgervrijage van commentaar voorziet is de naamloze buurman van Agnietje, een advocaat, die ook de vader van Kobus tot zijn cliëntèle rekent. Aanvankelijk is hij de roddelende buurman die als het ware via zijn spionnetje het gedrag van zijn buurmeisje en haar vrijer becommentarieert. In de laatste aflevering neemt hij deel aan de maaltijd tijdens welke de verloving geregeld wordt......
Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, aflevering 196-240 (11 september 1733 - 12 februari 1734).
Editie José de Kruif
Duivelshoekreeks 14
ISBN 90-75179-20-0.
Prijs € 21,75
Dat de Hollandsche Spectator bij zijn verschijnen bijna in ieder huis dat alfabeten huisvestte te vinden was, is een gegeven waaraan weinigen meer lijken te twijfelen. Van Effen zelf stond aan de wieg van deze reputatie van een qua inhoud wisselend gewaardeerd, doch bijna alomtegenwoordig periodiek. Hij meldt namelijk met enig dédain in aflevering 165 van zijn Hollandsche Spectator dat hij zich niet zal verlagen tot het niveau van collegaschrijvers, die bij wijze van aanbeveling van hun schrijfsels de door hen geclaimde schare lezers uitbundig bedanken voor de overweldigende belangstelling.
Van Effen verpakt zijn reclame subtieler door het te zoeken in het laconieke zinnetje: dat “reeds vyf deeltjes van myn Spectator het licht hebben gezien, zonder dat de drukker zyne aangewende moeite en onkosten beklaagt.” Met voldoening heeft hij geconstateerd dat de “verstandigsten” en “geestryksten”, zijn vertogen steeds vaker goedkeuren. Maar hij geeft ook toe dat de grootste complimenten hem werden toegezonden door lieden die er voor het overige blijk van gaven, niet erg geëquipeerd te zijn om over zijn stukken te oordelen.
José de Kruif gaat in de inleiding bij deze uitgave van de Hollandsche Spectator uitvoerig in op de populariteit van het tijdschrift. Uit haar onderzoek in Haagse boedelinventarissen concludeert ze dat het blad veel minder vaak in Nederlandse huishoudens wordt aangetroffen dan we op grond van de gebruikelijke lofzangen zouden verwachten.
Was het zakelijk gezien wel verstandig van uitgever Uytwerf om het na de vele andere specatoriale tijdschriften die in omloop waren, het zelf ook nog eens met een spectator te proberen?
D’openhertige juffrouw, of d’ontdekte geveinsdheid.
Editie Joost Kloek, Inger Leemans, Wijnand Mijnhardt
Duivelshoekreeks 10
ISBN 90-75179-16-2
Prijs: € 15,85 – helaas uitverkocht
In 1680 verschijnt D’Openhertige Juffrouw. Naar de vorm: de autobiografie van een zéér openhartige hoer, die ons alles vertelt over haar leven.
Onze verleidster-juffrouw maakt haar openhartigheid helemaal waar. Zij spaart niemand. De hoeren niet, die met geraffineerde trucjes proberen de mannen te strikken, maar desondanks vaak zelf slachtoffer worden. De mannen niet, die denken dat zij recht op een vrouw hebben en vaak te zelfingenomen zijn om in te zien dat die vrouw op iets anders uit is dan liefde. Haar collega-schrijvers niet, die de zaken moedwillig verdraaien en niets van vrouwen begrijpen.
Haar belangrijkste doel is: het ontmaskeren van de geveinsdheid waarmee iedereen probeert te verbloemen dat de hele wereld wordt geregeerd door seks en geld. Op pad naar deze waarheid gaat de juffrouw een smeuig verhaal niet uit de weg.
Deze origineel-Nederlandse tekst wordt tijdens de Verlichting keer op keer herdrukt. Engelse en Franse vertalingen verschijnen. Nadien neemt de hoerenautobiografie in de Europese literatuur een hoge vlucht.
Elisabeth Wolff, De Onveranderlyke Santhorstsche Geloofsbelydenis. In rym gebragt door eene zuster der Santhorstsche gemeente. Ter Drukkerye van haare Koninglyke Majesteit Reden (1772).
Editie André Hanou
Duivelshoekreeks 11
ISBN 90-75179-17-0
Prijs: € 15,85
In 1772 verschijnt, anoniem, De Onveranderlyke Santhorstsche Geloofsbelydenis: één van Betje Wolffs beroemdste pamfletten, maar nooit opnieuw uitgegeven.
Wolffs satire haakt in op de bij leden van de publieke kerk bestaande ergernissen over ‘Santhorst’ (de kring van staatsgezinden en vrijzinnigen die regelmatig bijeenkwamen in het buiten Santhorst, van de hoogleraar Burmannus Secundus, op de grens van Wassenaar en Voorschoten). Aldaar waren volgens sommige predikanten heilige zaken als kerk en stadhouder slechts voorwerp van spot.
De jonge schrijfster schoffeert de orthodoxie, met haar verlichte geloofsbelijdenis. Zij neemt Santhorst in bescherming, en pleit voor een vaderlands en verlicht deugdenstelsel. Haar oncalvinistische, alternatieve kerk geeft zij vlees en bloed door de beschrijving van de geloofspunten (vrede, vrijheid, verdraagzaamheid, vreugde), de rituelen en bedevaartsoorden, de belangrijkste heiligen (Oldenbarnevelt, De Groot, de De Witten enz.).
De tekst is voorzien van inleiding en commentaar. De Santhorstsche Geloofsbelydenis riep vele reacties op; een groot aantal daarvan zijn in de bijlagen opgenomen.
Nijmeegse mutsen. Een satire uit 1792. E.J.B. Schonck, De Bonheurs uit de mode. Heldendicht.
Editie André Hanou
Duivelshoekreeks 15
ISBN-10: 90-75179-25-1 en ISBN-13: 978-90-75179-25-5.
Prijs: € 18,95
In een satire uit 1792, De Bonheurs uit de mode, kritiseert de Nijmeegse rector E.J.B. Schonck de interesses van de dames uit zijn stad. Zij hebben alleen belangstelling voor mutsen en hoedjes. Hij geeft daarmee tevens verlichte kritiek op de algemene samenleving van zijn dagen. Schonck brengt dit in de vorm van een klassiek heldendicht. Daardoor komen zijn heldinnen, en de oorzaak van de strijd (welke muts verdient de voorkeur?), in een lachwekkend daglicht te staan.
Deze Nijmeegse Ilias bestaat uit drie zangen. In de eerste zang wordt de ondergang van een Nijmeegse mode-atelier beschreven. De succesvolle muts Pamela wordt verdrongen door de modieuze muts Bonheur. Deze nieuwe muts kan door de dames zelf vervaardigd worden. De hulp van godin Mode wordt ingeroepen door de mode-branche. Deze zorgt dat de Nijmeegse Saartje een droom krijgt, die haar doet inzien dat die Bonheur een dracht is voor heksen. Wanneer Saartje wakker wordt, kiest zij dus voor haar oude, maar keurige muts Pamela. De toch al verknipte Bonheur zelfmoordt zich met een schaar.
In de tweede zang ontspint zich een oorlog tussen de goden. Juno, wiens lievelingsmuts de Bonheur was omdat deze de ongerechtigheden van haar gezicht goed camoufleerde, heeft nu Bonheur als ster aan de hemel gezet. Venus en anderen zijn het daar niet mee eens. Jupiter beslist: we gaan hier niet democratisch uitmaken welke muts ‘star’ mag worden.
In de derde zang worden de ontwikkelingen in Nijmegen opnieuw gevolgd. Saartje moet in de damesvergadering vertellen welk leed haar is overkomen. Daarop volgt een algemeen besluit de Bonheurs bij het oud vuil te zetten. Eind goed al goed: de Nijmeegse naai-ateliers beginnen vol vreugde Pamela’s te produceren.
André Hanou is emeritus-hoogleraar Oudere Letterkunde Nederlands van de Radboud universiteit. Hij publiceerde vooral over de literatuur van de Nederlandse Verlichting (1670-1830).
Nil Volentibus Arduum, Tieranny van Eigenbaat (1679). Toneel als wapen tegen Oranje.
Editie Tanja Holzhey en Kornee van der Haven
Melodienotatie Rudolf Rasch
Duivelshoekreeks 16
ISBN 978-90-75179-26-2
Prijs € 18,50
Zelden was politiek toneel zo aanstootgevend als het zeventiende eeuwse zinnespel Tieranny van Eigenbaat. Het is geschreven in een tijd dat het rampjaar 1672 nog vers in ieders geheugen lag. Engeland en Frankrijk vielen de Republiek der Nederlanden binnen. Het Staatse leger was na jarenlange bezuinigingspolitiek verzwakt.
Het volk voelde zich verraden door de machtige staatslieden Cornelis en Johannes de Witt, die de invloed van Oranje stevig hadden ingeperkt. Een lynchpartij van de gebroeders De Witt was het gevolg, waarna hun lijken als symbool voor anti-orangistisch optreden aan de Vijverberg in Den Haag werden opgehangen.
Daarover gaat het toneelstuk Tieranny van Eigenbaat (1679). Over de zelfzucht van politici, die haaks staat op het algemeen belang. Over regenten en hun positie ten opzichte van Oranje. Het is geschreven door het beroemde Amsterdamse kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum en werd tot ver in de achttiende eeuw in de Amsterdamse Schouwburg opgevoerd.
Al die jaren hield het de gemoederen in de Republiek bezig. Iedereen kende het, had een voorstelling bijgewoond en sprak over het propagandastuk. Telkens wanneer de positie van de Oranjes ter sprake kwam, werd het bewust door de anti-organgistische partij op het toneel gebracht.
Nu wordt dit beroemde toneelstuk opnieuw uitgebracht, voorzien van inleiding en commentaar door de literatuurhistorici Tanja Holzhey en Kornee van der Haven. De illustraties laten zien hoe de spelers op het toneel gekleed gingen.
Grote verrassing zijn de liederen bij het toneelstuk. Voor het eerst kan de hedendaagse lezer zich een beeld vormen van het totaaltheater dat Tieranny van Eigenbaat geweest moet zijn. Rudolf Rasch zorgde voor de omzetting van de melodieën in hedendaagse muzieknotaties.
De Leidsche straat-schender (ca 1679).
Editie Rietje van Vliet
Duivelshoekreeks 18
ISBN 978-90-75179-28-6.
Prijs € 19,50 (exclusief verzendkosten).
De Leidsche Straat-schender (ca. 1679) is een van de vroegste pornografische romans uit de Nederlandse geschiedenis. Het boek
verscheen in twee delen en kreeg gedurende de hele achttiende eeuw vele herdrukken. Omdat de handel in subversieve werkjes als dit niet was toegestaan, werd het waarschijnlijk onder de toonbank verkocht.
De hoofdpersoon van De Leidsche Straat-schender is Jodocus, een gesjeesde student medicijnen en een groot liefhebber van drank,
dobbelen en dienstmeiden. De roman is een aaneenschakeling van een groot aantal avonturen die hij alleen of samen met zijn mede-
studenten beleeft.
De lezer wordt getrakteerd op hilarische verhalen over hoe hij dienstboden te slim af is. Over een uitgelubberde hospita die ’s nachts bij hem in bed kruipt. Over hoertjes en hoerenmadammen. Over een triootje met twee ‘nimfjes’. Over verkrachtingsscènes. Over stront, pis en braaksel. Over knokpartijen en over allerlei vernuftige manieren om schijnheiligheid, gierigheid en ijdelheid te bestraffen.
De roman is ondanks de zeventiende-eeuwse spelling nog altijd goed te lezen. Waar nodig zijn in deze heruitgave woorden en uitdrukkingen toegelicht. Woorden als drilscholen, roffianen en kochels komen in het hedendaagse taalgebruik niet meer voor. En wie weet nog wat er bedoeld wordt met de wens van Jodocus om bij zijn liefje ‘met de Vork in ’t hoy te vaaren’?
De tekst wordt vooraf gegaan door een inleiding over het Leidse studentenleven. Eigentijdse illustraties verlevendigen het geheel.