Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, aflevering 106-150

Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, aflevering 106-150 (31 oktober 1732 – 3 april 1733).
Editie Susanne Gabriëls
Duivelshoekreeks 9
ISBN 90-75179-15-4
Prijs: € 20,85 (excl. verzendkosten)

Wanneer op 31 oktober 1732 aflevering 106 van het tijdschrift verschijnt, kan er van een wankele onderneming moeilijk meer gesproken worden. Het succes van De Hollandsche Spectator is manifest: op een markt waar de meeste periodieken slechts een bestaan van enkele nummers gegund is, is een tijdschrift dat het meer dan een jaar uithoudt en al over de honderd afleveringen telt alleen daarom al uniek. Voor dit succesvolle tijdschrift was het niet meer nodig om de eigen plaats in de spectatoriale traditie te bevechten. Dat was al gebeurd en herhaling zou gemakkelijk verveling of argwaan wekken.

Wat nog lang niet duidelijk was, was de plaats van het spectatoriale tijdschrift binnen de literatuur als geheel. Schrijvers van tijdschriften stonden in de kwade reuk van het broodschrijven: zij schreven niet voor de eeuwigheid, maar voor de actualiteit, en dan ook nog voor geld. Losse afleveringen werden door overheidsdienaren, serieuze geleerden en geletterden aangezien voor schotschriften, pamfletjes waarin eerzame burgers op schandalige wijze in het openbaar te kijk gezet werden. Het relatief nieuwe verschijnsel van het tijdschrift liet zich niet indelen bij een vertrouwd genre. Daarmee leek het veroordeeld tot een plaats buiten de literaire hiërarchie.

Vanzelfsprekend nam Van Effen met een zo ongunstige reputatie van het tijdschrift in het algemeen voor zijn Hollandsche Spectator in het bijzonder geen genoegen. In aflevering 55 bijvoorbeeld verweerde ‘Heer Spectator’ zich tegen aanvallen als zouden in zijn periodiek goede bekenden hatelijk geportretteerd zijn. Ook op andere manieren probeerde het tijdschrift zich letterkundig en moreel te legitimeren.

In dit deel van de reeks Hollandsche Spectator treft u onder andere de bekende verhalen aan van ‘Kobus en Agnietje’ en ‘Thijsbuurs Os’.