Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, aflevering 196-240

Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, aflevering 196-240 (11 september 1733 – 12 februari 1734).
Editie José de Kruif
Duivelshoekreeks 14
ISBN 90-75179-20-0.
Prijs € 21,75 (excl. verzendkosten)

Dat de Hollandsche Spectator bij zijn verschijnen bijna in ie­der huis dat alfabeten huisvestte te vinden was, is een gegeven waaraan weinigen meer lijken te twijfelen. Van Effen zelf stond aan de wieg van deze reputatie van een qua inhoud wisselend gewaardeerd, doch bij­na alomtegenwoordig periodiek. Hij meldt namelijk met enig dédain in aflevering 165 van zijn Hollandsche Spectator dat hij zich niet zal verlagen tot het niveau van collegaschrijvers, die bij wijze van aanbeveling van hun schrijfsels de door hen geclaimde schare lezers uitbundig bedanken voor de overweldigende belangstelling.

Van Effen verpakt zijn reclame subtieler door het te zoeken in het laconieke zinnetje: dat ‘reeds vyf deeltjes van myn Spectator het licht hebben gezien, zonder dat de drukker zyne aan­gewende moeite en onkosten beklaagt.’ Met voldoening heeft hij geconsta­teerd dat de ‘verstandigsten’ en ‘geestryksten’, zijn vertogen steeds vaker goed­keuren. Maar hij geeft ook toe dat de grootste complimenten hem wer­den toe­gezonden door lieden die er voor het overige blijk van gaven, niet erg geëquipeerd te zijn om over zijn stukken te oordelen.

José de Kruif gaat in de inleiding bij deze uitgave van de Hollandsche Spectator uitvoerig in op de populariteit van het tijdschrift. Uit haar onderzoek in Haagse boedelinventarissen concludeert ze dat het blad veel minder vaak in Nederlandse huishoudens wordt aangetroffen dan we op grond van de gebruikelijke lofzangen zouden verwachten.

Was het zakelijk gezien wel verstandig van uitgever Uytwerf om het na de vele andere spectatoriale tijdschriften die in omloop waren, het zelf ook nog eens met een spectator te proberen?