Personalia
Geboren 1954. Getrouwd met André Hanou. Geen kinderen, wel katten.
Na de HBS ben ik naar de Pedagogische Academie gegaan. Echter, drie werkzame jaren in het basisonderwijs leerden mij dat dit voor mij een doodlopende weg was. Ik heb nooit spijt gehad dat ik daarna Nederlandse taal- en letterkunde ben gaan studeren. Integendeel zelfs. Daar maakte ik kennis met de literatuur, de cultuur uit de achttiende eeuw.
Direct na mijn afstuderen kon ik aan het werk als docent NT2 aan de toenmalige Sociale Academie Rotterdam. Na een paar jaar kreeg ik er – inmiddels was de academie opgegaan in de Hogeschool Rotterdam – een managementfunctie. Ik werd manager contractactiviteiten voor op het gebied van fysiotherapie, logopedie en gezondheidsvoorlichting. Cursussen, trainingen, in company: ik had er mijn handen vol aan.
In 1994 kwam ik tot het besef dat ik mijn oude vak, de Neerlandistiek, wilde oppakken. Eerst werd ik hoofd public relations van een van de faculteiten van de Hogeschool Rotterdam, en in 1996 zette ik mijn eerste schreden in de journalistiek. Vijf jaar ben ik hoofdredacteur geweest van de krant van de Hogeschool Rotterdam. Daarna ben ik als freelancer aan de slag gegaan.
Intussen heb ik me altijd beziggehouden met de achttiende eeuw. Ik heb van 1987 tot en met 2005 meegewerkt aan het tijdschrift Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman, de laatste jaren ook als vormgever en duvelstoejager. Sinds 2007 ben ik voorzitter van de stichting.
In mijn vrijetijd heb ik artikelen geschreven voor diverse wetenschappelijke tijdschriften. Het onderzoek, ook het onderzoek naar Elie Luzac, de Leidse boekverkoper over wie ik mijn proefschrift heb geschreven (Elie Luzac (1721-1796). Boekverkoper van de Verlichting. Nijmegen 2005), vond altijd plaats in de avonduren, in weekends en tijdens vakanties. Dat was en is overigens geen straf.
Naast mijn werk als journalist en tekstschrijver – liever noem ik me broodschrijver – heb ik altijd wetenschappelijke artikelen geschreven. Door de jaren heen ben ik steeds verder af komen te staan van de Neerlandistiek. Ik begeef me nu meer op het terrein van de boekgeschiedenis. Maar de belangstelling voor de achttiende eeuw is altijd gebleven.